6 tips voor taalvrijwilligers om nog meer uit je les te halen

Taalvrijwilliger? 6 tips om nog meer uit jouw les te halen

Als taalvrijwilliger of taalmaatje help je anderstaligen de Nederlandse taal te leren. Met eigen kennis en inzichten zul je de anderstalige een hoop kunnen leren. Toch kan het fijn zijn wat richtlijnen te hebben om zo nog meer uit jouw les te halen. In dit dossier geven we 6 tips voor de taalvrijwilliger.

 

Tip 1: Houd je aan de rol als taalvrijwilliger

 

Veel taalvrijwilligers helpen een familielid, vriend(in) of kennis met het leren van de Nederlandse taal. Bij hen kan het voorkomen dat ze in de les snel terugvallen op de persoonlijke relatie die de taalvrijwilliger en taalleerder met elkaar hebben. Dat kan het taalleerproces belemmeren: durf je in die positie de taalleerder nog te corrigeren op taalfouten? Kan er nog een serieuze uitleg plaatsvinden? Om deze problemen te voorkomen, kun je duidelijke afspraken met elkaar maken.

 

Spreek een duidelijke begin- en eindtijd af voor de les en bewaar persoonlijke verhalen voor na de taalles.Spreek je de taalleerder ook buiten de NT2 les? Pas dan op dat je niet in je rol als taalvrijwilliger blijft hangen. Foutief taalgebruik corrigeren, kan heel behulpzaam zijn, maar kan in een vriendschappelijke setting gaan irriteren, of de taalleerder juist onzeker maken.

 

Tip 2: Vertrouw op het taalleerproces

Veel meertaligen leren een tweede taal op een natuurlijke manier. Gewoon door goed naar de taal om zich heen te luisteren en de spraak te herhalen. Hoewel cursussen en leerboeken het taalleerproces kunnen versnellen, zijn ze dus niet noodzakelijk.

 

Wat jij als taalvrijwilliger aan deze informatie hebt? Maak je vooral niet te druk om het taalleerproces van jouw leerder. Het taalleerproces ontwikkelt zich op een natuurlijke manier, en jij bent er slechts om te ondersteunen waar nodig.

 

Tip 3: Hou de taalleerder aan de praat

De makkelijkste en leukste manier om een taal te leren is door te praten. Je hebt er geen lesmateriaal bij nodig en je bent lekker interactief bezig. Daarbij is het kunnen spreken in de tweede taal toch vaak het belangrijkste. Zo kan de taalleerder snel communiceren met de mensen om zich heen.

 

Verzin alledaagse gespreksonderwerpen om over te praten, zoals ochtendroutines, openbaar vervoer en thuissituaties. Zo kan de taalleerder de opgedane kennis ook direct toepassen buiten de les. Licht onduidelijke woorden en constructies toe als jullie die tegenkomen tijdens jullie gesprekken.

 

Tip 4: Zorg voor relevante thema’s

Vaak kiest een taalvrijwilliger ervoor om voor te lezen aan de taalleerder. En dat is een goed idee, want zo creëer je taalaanbod en dat is nuttig voor de taalleerder. Wat alleen vaak gebeurt, is dat er bij voorlezen gekozen wordt voor kinderboeken, omdat daarin korte en begrijpelijke zinnen staan.

 

Het probleem daarbij is dat de onderwerpen in kinderboeken niet aansluiten bij de interesses van volwassen taalleerders. Onderwerpen als ‘verstoppertje spelen’ en ‘knutselen’ zijn voor hen niet interessant.

 

Kies daarom boeken die korte en begrijpelijke zinnen bevatten, maar ook over interessante onderwerpen gaan. Voorbeelden hiervan zijn de boeken Verhalenvertellers, waarin nieuwkomers verhalen vertellen, en Beren op de weg of Water bij de melk, waarin verhalen uit verschillende landen in het Nederlands vertaald zijn.

 

Daarnaast kun je eens kijken naar reclames en marketing-uitingen of bepaalde korte artikelen uit lifestyle tijdschriften. Hierin worden vaak korte, eenvoudige zinnen gebruikt.

 

Tip 5: Corrigeer met mate

Hoewel het belangrijk is om grote of herhaaldelijk gemaakte fouten op te helderen, hoef je niet elke taalfout te corrigeren. Het is essentieel dat er succesvol gecommuniceerd kan worden, en bij het corrigeren van elk klein foutje wordt die communicatie juist onderbroken.

 

Daarnaast is het niet altijd even motiverend voor de taalleerder om zo vaak aan fouten herinnerd te worden. Als je in sommige gevallen het toch belangrijk vindt te corrigeren, kan dat ook op een subtiele manier. Zegt de taalleerder bijvoorbeeld: “Ik heb twee boeks gelezen.” kun je antwoorden met: “Welke twee boeken heb je gelezen dan?”. Op deze manier heb je de goede vorm van “boeken” gegeven, maar wordt het gesprek niet onderbroken.

 

Tip 6: Blijf positief

 

Vaak genoeg hoor je Nederlandse moedertaalsprekers zeggen dat het Nederlands een super moeilijke taal is. Naast dat het niet waar is, want de moeilijkheidsgraad van het Nederlands is afhankelijk van de moedertaal van de taalleerder, werkt het ook nog eens ontzettend demotiverend.

 

Benadruk dus niet hoe moeilijk het Nederlands is, maar hou het positief door te prijzen wat de taalleerder al spreekt in het Nederlands. Zo hou je het leerproces positief en zal de taalleerder vol goede moed verdergaan.