Nederland leest

Nederland leest

Tiende uitgave in het kader van de jaarlijkse campagne Nederland leest

Deze maand presenteert de Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek (CPNB) haar tiende uitgave in het kader van de jaarlijkse campagne Nederland leest. Er liggen maar liefst 450.000 boeken klaar die bibliotheekleden gratis mee kunnen nemen. 

Na negen romans is het dit jaar de beurt aan het korte verhaal onder de titel Nederland leest de mooiste korte verhalen. A.L. Snijders, Nederlands bekendste schrijver van het zeer korte verhaal (ZKV) heeft een selectie van 39 verhalen gemaakt, toegelicht met een voor- of nawoord. Hij had zijn stukje onder deze titel ingeleverd met de bedoeling dat de redactie een keuze zou maken.
A.L. Snijders noemt twee criteria waaraan een goed kort verhaal volgens hem moet voldoen. Hij gebruikt hiervoor beelden uit korte verhalen van Nescio en Paul van Ostaijen die hem na lezing altijd zijn bijgebleven: een emmer die ergens op een houten vloer wordt neergezet en een danseur.
Het langste verhaal uit de bundel is van David Pefko en neemt dertien bladzijden in beslag. Het kortste verhaal komt van A.H.J. Dautzenberg die artikel 1 van de Nederlandse Grondwet citeert in vier regels. De verhalen bestrijken een volle eeuw maar in de bundel zijn ze willekeurig gerangschikt. De oudste verhalen zijn van Nescio. In de bundel zijn ze niet gedateerd maar onder raadpleging van Nescio's Verzameld proza uit 1996 vond ik Vae Victis (1946), Het dal der plichten (1922), 't Getal van het Beest (vermoedelijk 1916) en Pleziertrein (1942).
De bundel bevat relatief veel recente verhalen, zoals die van L.H. Wiener en de Vlaamse schrijfster Delphine Lecompte uit 2015. De inhoudsopgave vermeldt van alle schrijvers de geboorteplaats. West-Indische auteurs ontbreken. Tot de overzeese Nederlandse literatuur kan alleen de in Nederlands Indië geboren Hans Vervoort gerekend worden. Verhalen van Vlaamse schrijvers zijn in de bundel wel opgenomen maar met een aantal van zes nogal ondervertegenwoordigd.

'Van eigen bodem'

Opmerkelijk is daarentegen de aandacht die naar de Nederlandse provincies uitgaat. Iedere provincie krijgt een eigen bundel met een speciaal ontworpen omslag. De twaalf verschillende edities beginnen elk met zes tot acht verhalen 'van eigen bodem'.
A.L. Snijders is erin geslaagd om de lezer verrassende keuzes voor te leggen, vooral ook buiten de kring van gevestigde schrijvers. Hij weet goed over te brengen dat de mogelijkheden van het korte verhaal onbegrensd zijn.
Vaak wordt aangenomen dat het korte verhaal in de Angelsaksische literatuur beter tot zijn recht komt dan in de Nederlandstalige literatuur. Als bewijs hiervoor worden schrijvers als Ernest Hemingway, Edgar Allan Poe en Roald Dahl aangehaald. Wat mij betreft heeft Joost Zwagerman in 2005 met zijn bloemlezing De Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 in 250 verhalen laten zien dat korte verhalen van Nederlandstalige schrijvers bijzonder kunnen boeien, al zijn er weinig grote schrijvers die aan dit genre hun voorkeur hebben gegeven. Zo iemand is in mijn ogen Maarten Biesheuvel, winnaar van de P.C. Hooftprijs 2013 en naamgever van de prijs die sinds dit jaar wordt uitgereikt voor de beste Nederlandstalige verhalenbundel: de J.M.A. Biesheuvelprijs. Opmerkelijk is dat hij in de bundel ontbreekt.
Ik heb de vuistdikke band van Zwagerman nog eens uit de kast gehaald, benieuwd of er een overlap was met de keuze van A.L. Snijders. Dit bleek slechts bij twee verhalen het geval: Opium en het einde van de winter door Johnny van Doorn en Pleziertrein van Nescio. Conclusie: ook de omvang van het genre kort verhaal mag er zijn in het Nederlands taalgebied.